3 pleziertjes van een pendelaar

Eerder op deze blog: “3 ergernissen van een pendelaar”.

Nu op deze blog: “3 pleziertjes van een pendelaar”.

Waarna u een weloverwogen mening kan vormen om deze onnozele poll in te vullen:

[polldaddy poll=7958620]

3 pleziertjes van een pendelaar

Hoewel ik niet bepaald bekend sta om mijn genuanceerde uitspraken (er is geen woord dat ik schuw!), wil ik op deze blog liever niet de cynische zak uithangen. Om die reden kon een positief vervolg op voorgaande rant over mijn pendeling/perndelement niet ontbreken. Bij deze: 3 stiekeme pleziertjes van een pendelaar.

1. Aangezien ik niet bedeeld ben met een enigszins ontwikkelde fijne motoriek (elke dag kap ik per ongeluk cola naast mijn mond; dan voel ik plots een plakkerige vloeistof in mijn decolleté; smerige boel en zeer awkward), verkeer ik in de onmogelijkheid een papieren krant te lezen. Dat ding manoeuvreren is onbegonnen werk en hoe dan ook beginnen mijn armen na een tijdje ook wel pijn te doen (best zware lectuur, zo’n krant). Ik lees mijn nieuws dan ook online, de hele dag door, beginnend van tijdens mijn ontbijt op de iPad, over op mijn bureau op de desktop, tot ‘s avonds op de zetel. En toch, tóch, kan ik het niet laten om mee te lezen als er naast mij op de trein iemand zit die de Metro aan’t bekijken is. Ik begin innerlijk al te trappelen als er naast mij iemand komt zitten die eruitziet alsof hij wel nieuws-gierig is en word helemaal wild als hij op zijn iPad deStandaard begint te lezen. Ik gluur zo schaamteloos mee over die persoon zijn schouder dat ik soms merk dat ze de bladzijde niet durven omdraaien aangezien ik nog niet klaar ben met lezen. I approve of this. Een enkele keer was mijn gratis meegloeren zo overduidelijk, dat de man -wiens Metro ik met mijn ogen aan het begeren was zoals de Zoo de panda’s van Pairi Daiza begeert- mij zijn krant aanbood toen hij ging uitstappen in Mechelen. Ik heb het aanbod uit beleefdheid aanvaard, maar, laten we eerlijk zijn, die krant interesseert mij geen kak meer en verwordt tot een papieren informatievod eens ik er uitdrukkelijke toestemming en vrije toegang toe heb.

2. Naast de creepy krantengluurder/leecher in mij, komt ook de autist in mij goed aan zijn trekken tijdens mijn dagelijks pendelement. Ik probeer ‘s ochtends steevast op dezelfde trein, in dezelfde wagon en op dezelfde plaats te gaan zitten en merk dat ook andere pendelaars zich hardnekkig aan hun vast plekje houden. Zo heb ik in de voorbije drie jaar verschillende mensen leren kennen die ik probleemloos kan situeren in de laatste wagon van de trein van 8u17 in Centraal: jongen met plooifiets die op Jejoen Bontinck lijkt, donkerharige man met bril en iPad, Franstalige 50-jarige vrouw met bril, man die altijd de zonnewering half naar beneden doet om er tegen te slapen, twee blonde meisjes waarvan een altijd haar make-up doet op de trein, man die op Kirk uit “Gilmore Girls” trekt, meisje met fleurige kleedjes, man met Harry Potter-achtige bril die in Berchem opstapt en pas 10 minuten later gaat zitten, meisje dat het parfum “Angel” van Thierry Mugler draagt, jongen met O’Neill-rugzak, etc. Slechts een kleine selectie van personen die ik ‘s ochtends op de trein tegenkom. Met geen een van hen heb ik ooit een gesprek gehad dat verdergaat dan “Is die plaats bezet?” of “Ja, ge moogt een bik lenen om uw Go-Pass in te vullen”, maar toch ben ik tamelijk gehecht aan deze vaste gezichten. Ze zitten, zoals men zegt, in mijn Monkeysphere. Dat pendelen goed kan zijn voor networking, wist ik al langer. Zo treint de Antwerpse delegatie van mijn werk -zowel rechters, als attachés, als mensen van de juridische dienst, als coördinatoren- regelmatig samen, wat tot menig niet-jobgerelateerd gesprek én een succesvol quizteam (“Spoor 11”) heeft geleid. Ook mijn vriendschap met I.V.d.B. (“Papzak”) -toen we nog beide in “den 2060” woonden, met slechts het Atheneum dat onze appartementen van elkaar scheidde- heeft veel baat gehad bij het pendelen. We hebben maandenlang ‘s ochtends samen de trein genomen, waardoor ik bij bovengenoemde medereizigers ongetwijfeld in hun Monkeysphere zit als “meisje dat vroeger op de trein zat met Papzak, waarmee zij schaamteloos praatte over hun seksleven, over drolletjes-naast-de-kattenbak van een zekere Romulus, over N-VA, over schriftelijke procedures, over raam- en dakisolatie, over avonturen van een doof konijn genaamd Bobke, over verhuizen en over prikklokken”. Of als “creepy krantengluurder/leecher” en “raar mens dat foto’s trekt van kleine zwarte paardjes” (zie onder), dat kan ook.

3. Wat de autist in mij ook zeer pleziert, is het vaste stramien van huisjes-tuintjes-boompjes dat passeert langs het raam op mijn vaste plaats in de trein. Als een kritische werfleider volg ik alle werken op die zich bevinden langs de sporen Antwerpen-Brussel. Zo is er de nieuwe fietsenstalling bij het station van Hove, de “fietsostrade” die tot Mechelen werd aangelegd en die ik elke week een beetje verder zag reiken, de gigantische werf bij Mechelen-station waar ze precies twee voetbalstadions gaan installeren (zo gigantisch is het) en de nieuwe autoparking bij Schaarbeek. Ook als dierenvriend kan ik mijn hart ophalen tijdens het pendelen: ik zie honden die worden uitgelaten, paarden die aan jumping doen, er zijn sinds een week babyschaapjes geboren in een wei, er passeert een hondenschool, en ik zie ‘s ochtends vaak een man eten geven aan alle vogels in de buurt en, als hij nog niet geweest is als mijn trein passeert, zwermen de vogels ongeduldig boven zijn tuin. Maar het meest kijk ik uit naar Pixel, een klein zwart paardje dat ik die naam gaf omdat er ergens op een brug “pixel” ge-graffiti-d staat. Pixel staat bij een klein lief huisje, vlak na het station Sint-Katelijne-Waver en is megaschattig. Soms staat hij in een grote wei achter het huis, maar ik heb hem spijtig genoeg al enkele weken niet meer gespot. Mogelijk staat hij (tijdelijk) ergens anders te chillen en duikt hij binnenkort terug op in mijn gezichtsveld. Pixel is zelfs te vinden op Google Maps!

Met mijn GSM getrokken vanuit de trein:

Pixel 1 Pixel 2

Op Google Maps:

pixel 3 pixel 4

Uit de oude doos: “3 ergernissen van een pendelaar”

Geschreven op 12 april 2012 (twee jaar geleden), maar nooit gepubliceerd:

3 ergernissen van een pendelaar

sinds een half jaar ben ik een (hard)werkende medemens. elke dag begeef ik mij op de fiets naar het centraal-station (ongeveer 2 minuten), waarna ik een hemeltergend saaie en uiterst onaangename drukke treinrit van 37 minuten moet doorstaan en ik ten slotte van brussel-noord naar mijn werk wandel (7 minuten).

de gemiddeld-opmerkzame lezer heeft wellicht uit de vorige paragraaf reeds afgeleid dat ik geen fan ben van pendelen. omdat het zeer ergerlijk is wanneer mensen een sterke mening uiten maar die niet verder onderbouwen, volgt nu een meer uitgebreide uiteenzetting over de negatieve punten van mijn dagelijkse pendeling (pendelement?).

1. de hel der pendelen beperkt zich niet alleen tot het treingebeuren sensu stricto. ook het station zelf bezorgt mij al menig frustratie: om te beginnen zijn de roltrappen in antwerpen-centraal (maar ook overal elders) behept met een verborgen gebrek (zie mij goochelen met rechtgeleerde terminologieën! straks ga ik nog hoofdletters gebruiken!). dit gebrek belet armzalige pendelaars ervan een hele roltraprit rustig te chillen: wanneer men immers op de roltrap stapt en men zijn hand/elleboog/arm steunt op de leuning, wordt men na verloop van tijd op diabolische wijze ge-tweeën-deeld omdat de leuning van de roltrap ongeveer dubbel zo snel rolt als de trappen. hoewel een goede stretch wel eens aangenaam kan zijn, apprecieer ik het niet dat dit mij tweemaal daags ongevraagd wordt opgedrongen. ik vind dit dan ook, ingenieur-technisch gezien, totaal onvergefelijk: wat is immers het nut van een leuning als men er niet efficiënt op kan leunen!?

2. de gemiddeld-opmerkzame en bovengemiddeld-betweterige lezer stelt zich nu ongetwijfeld de vraag: “waarom neemt sanne dan niet de lift in het centraal-station?”. wel, de lift nemen is evenzeer frustrerend. het is mij opgevallen dat, bij het opengaan van liftdeuren, sommige mensen kennelijk elk begrip van elementaire beleefdheid plotsklaps verliezen: zij beginnen te duwen, voor te steken, deuren te blokkeren en meer van dat egoïstisch apengedrag. als ik bij het willen uitstappen van de lift weer eens over een hordetraject van kinderwagens en aktetassen moet springen, kan ik serieus de mensheid en het pendelen vervloeken.

3. eens op het perron aangekomen, moet uiteraard nog de ergste ergernis van het pendelen komen: de vertragingen. er zal altijd wel een of andere reden voor zijn, maar deze zijn zo divers en onvoorspelbaar dat de autist in mij hier zeer ongemakkelijk van wordt. ik voelde mij dan ook genoodzaakt allerlei vergezochte en onrealistische theorieën te bedenken over de vertragingen bij de nmbs; zo is er de zo goed als waterdichte theorie dat de eerstvolgende trein naar antwerpen altijd vertraging heeft als ik de trein plan te nemen met mijn collega Axe. (zijn naam is Axel, maar de afkorting Axe. is wel veel cooler).

ndvr: Ik heb de laatste zin over Axel moeten vervolledigen, blijkbaar was de inspiratie destijds plotsklaps op, en er is dus ook geen logisch doch superspitsvondig einde.

tweede nvdr: Ik heb nog steeds dezelfde ergernissen als twee jaar geleden, maar heb ondertussen ook de theorie ontwikkeld dat ik grotere kans op treinvertraging heb als ik de trein wil nemen met mijn collega Annemi. (Annemie).

derde nvdr: binnenkort op deze blog: “nog-nader-te-bepalen-aantal pleziertjes van een pendelaar”!

“Slordig in haar hele wijze van doen” (maar wel een schatje)

Iemands karakter zou al in zijn eerste levensjaren gevormd worden. Dat ik grotendeels onveranderd ben gebleven sinds ik 7 jaar was, werd me duidelijk toen ik gisteren aan het opruimen was en mijn rapporten van de lagere school tegenkwam (5 jaar tot 11 jaar).

De top vier van eigenschappen die mij werden toegeschreven door mijn leerkrachten destijds:

1. Kritisch; veel commentaar hebben

capriolen-rapporten 004
(eerste leerjaar)

capriolen-rapporten 008
(derde leerjaar)

capriolen-rapporten 009
(derde leerjaar)

capriolen-rapporten 016capriolen-rapporten 017
(zesde leerjaar)

2. Slordig; niet nauwgezet

capriolen-rapporten 006
(tweede leerjaar)

capriolen-rapporten 007
(tweede leerjaar; het wordt groffer en groffer!; maar ‘t is toch slaan en zalven dat ze doen)

capriolen-rapporten 019
(zesde leerjaar; mijn recht van antwoord)

3. Praatziek

capriolen-rapporten 005
(eerste leerjaar)

capriolen-rapporten 015
(vijfde leerjaar)

capriolen-rapporten 014
(vijfde leerjaar)

4. Ik ben een schatje

capriolen-rapporten 010
(vierde leerjaar)

capriolen-rapporten 011
(opnieuw vierde leerjaar)

capriolen-rapporten 012
(nog eens vierde leerjaar; op die juffrouw had ik duidelijk een goede indruk gemaakt, zie me gaan!; *impressed door mezelf*)

capriolen-rapporten 007
(tweede leerjaar; mijn slordigheid was kennelijk aandoenlijk op een of andere manier)

capriolen-rapporten 008
(derde leerjaar)

Gevraagd aan Jeroen of hij mij in bovenstaande opmerkingen herkende, antwoordde hij veelbetekenend (en ik parafraseer)  “Ja, gij zaagt veel, ge praat veel, ge praat slordig, ge wandelt slordig, ge zijt onhandig en ge gooit kleren op de grond”. Maar hij vindt mij wel een schatje :D.

Uit de oude doos: “Het ontvoerde prinsje” (1995-1999)

Als kleine Sanne schreef ik graag verhalen. Ik herinner mij verhalen die ik schreef over olifanten, spoken, tovenaars, indianen (sorry, “Native Americans”), maar ook over thema’s die me nauwer aan het hart lagen, zoals zieke mama’s.

Onderstaand verhaal, genaamd “Het ontvoerde prinsje”, schreef ik voor de verjaardag van mijn neefje, Steven. Het was blijkbaar een werk van lange adem, want als ik de cover mag geloven deed ik over dit meesterlijk stuk literatuur vier jaar (1995-1999). Op de achterkant van het schriftje staat een korte samenvatting die de nieuwsgierigheid van de lezer moet prikkelen: “Dit verhaal gaat over een héél dom prinsje. Wanneer hij koning word neemt hij al het geld van de mensen af. Hoe hij word gestraft lees je maar!”. Nu prikkelt het vooral mijn dt-fouten-radar. Ook gaf ik een indicatie voor welke leeftijd het verhaal geschikt was: “5 – 7 jaar”, iets jonger als ikzelf destijds. Kennelijk schatte ik mezelf als schrijver hoger in dan mijn leeftijdsgenoten als lezer. Bovendien staat er op de voor-en achterkant wel vier keer mijn naam, kwestie van zeker te zijn dat niemand mijn geniale schrijfsels voor de zijne zou aanzien.

Los van het feit dat het verhaal gebukt gaat onder talrijke dt-fouten en het afwisselend verkeerd dan wel goed schrijven van het woord “koningin” (soms “koniging”), snijdt het enkele relevante hedendaagse thema’s aan: rechtvaardigheid, armoede, goed en kwaad, de (on)zin van het koningshuis, de opvoeding van probleemkinderen, het verdwijnen van kroonjuwelen, de herverdeling van de welvaart, alsook “pipi en kaka in de broek” en “snoepen tot de tanden geel zien”. Als uw nieuwsgierigheid nu nog niet geprikkeld is, dan weet ik het ook niet meer!

In het geval jullie zich afvragen welke briljante, dan wel zieke geest achter dit verhaal zat: een klein overzicht aan de hand van foto’s tot aan 1999 (het jaar waarin bovenstaand boek werd afgewerkt). Mijn babyjaren heb ik eruit gelaten omdat ik allergisch was aan melk en door de uitslag ervan een heel lelijke baby was. (Voor degenen die mij niet herkennen op de foto’s: ik was de jongste thuis en had een oudere broer en zus).

Google en de goddelijke creatie van de princekoek

Mijn blog is intussen al een jaar en half oud, en ongeveer een half jaar inactief. Toch krijg ik nog regelmatig  van vrienden/familie/collega’s de vraag of ik niet eens een nieuwe post ga schrijven. Ook onbekenden vinden nog steeds de weg naar mijn blog, en wel via Google. Op WordPress kan ik zelfs zien via welke zoektermen iemand op “Capriolen” terechtkomt.

De top 10 van all time meest gebruikte zoektermen zijn echter niet de meest flatterende. Ze gaan allemaal over gebroken tenen en opgezwollen gezichten en ogen. Pas op de 10de plaats staat mijn naam.

gebroken teen 46
koek 24
opgezwollen gezicht 23
gezwollen oog 21
opgezwollen ogen 17
gebroken voet 16
opgezwollen oog 16
gezwollen ogen 15
gebroken grote teen 13
sanne crombecq 12

Uit een grondige analyse van de zoektermen blijkt echter tevens dat sommige mensen succesvol beroep hebben gedaan op mijn blog.

Zo heb ik de persoon die het internet doorzocht naar “onderwerpen voor ongemakkelijk telefoongesprek” ongetwijfeld op het juiste spoor gezet met mijn post over ongemakkelijke gesprekken (niet per se telefonisch, maar op alle communicatievormen van toepassing):

“WAT? gesprekken die tandenknarsend pijnlijk, awkward, doodweg onzinnig of hemeltergend saai zijn. conversaties waaraan elke weldenkende mens zo snel mogelijk een einde zou willen maken, maar waaraan hij om een of andere reden niet kan ontsnappen. een wezenlijk kenmerk van zulke gesprekken is het banale en triviale onderwerp (doorgaans het weer).”

Hopelijk is ook mijn foto van een konijn met een pannenkoek op zijn hoofd een nuttige bijdrage geweest.

Verder heeft de persoon met de prangende vraag “hoe maak ik zo’n mooie veeg met puree op een bord” ongetwijfeld iets opgestoken van mijn schrijfsel over de treffende gelijkenis tussen kattenkots en gerechten van sterrenchefs (met “zo’n mooie veeg met puree”, jawel):

“een mooie presentatie op het bord, uitgelegd aan de hand van kattenkots, ziet er als volgt uit. eten wordt brokkerig en “casual” (niet strak en symmetrisch, da’s zoold school) gepresenteerd in een lijn. deze rommelige lijn van eten wordt gekenmerkt door verschillende kleurtjes, hier en daar een hoogteverschil, versierd met een bladje munt ofzo. maar desalniettemin een lijn zoals deze ook uit uw liefste huiskamertijger spuit wanneer die te hard heeft liggen schrokken of plezierig gras heeft zitten eten. deze “eetlijn” wordt vervolgens versierd met enkele vegen errond op het bord. de uitgeveegde strepen puree of saus (doorgaans balsamico, al is dat al te mainstream tegenwoordig) zijn het evenbeeld van wat mijn kat op de vloer teweegbrengt als zij haar braaksel tevergeefs wilt ondergraven met haar poezelige voorpootjes, maar hier uiteraard niet in slaagt en in plaats daarvan de grond besmeerd met vegen kots en andere samengeraapte vuiligheden van de grond. de “spatten” eten, waar sterrenchefs graag het bord verder mee opvullen, manifesteren zich eveneens in het overgeefsel van katten: braken gebeurt immers meestal in fasen, waarbij de kat zich enkele centimeters verplaatst (bijvoorbeeld van de leren zetel naar het perzische tapijt, kwestie van toch zacht te zitten tijdens deze vervelende gebeurtenis) om daar verder over te geven.”

Ik gaf een duidelijk en klaar advies aan de hand van deze metafoor en hoop dan ook dat sterrenchefs-in-spe er iets aan gehad hebben.

Nog iemand anders (of dezelfde persoon, met dan wel zeer veel eigenaardige vragen en een eclectisch interessegebied) zocht via zoekmachines naar een “levensles van foute mensen“. Los van het feit dat ik me wel afvraag hoe en waarom ik blijkbaar kwalificeer als “foute mens”, denk ik wel dat ik enkele zinvolle onderrichtingen heb gegeven in mijn stuk over late levenslessen:

“LATE LEVENSLES 2: vrije uitloop kippen zijn niet dolgelukkige kippen met eindeloze velden ter hunner beschikking. bezorgd om dierenleed als ik ben, kocht ik uiteraard enkel eieren van vrije uitloop kippen. ik stelde mij hier dan een kippenparadijs bij voor, waar de kip van haar ei beviel in volkomen hygiënische en medisch verantwoorde omstandigheden, waarna mamakip terug buitenhuppelde richting horizon, door groen gras en onder een warm zonnetje. dit blijkt echter een ietwat naiëve voorstelling te zijn van het lot van een vrije uitloop kip.”

Tot slot meen ik ook te hebben bijgedragen aan de gemoedsrust van de persoon die in Google de volgende hartverscheurende hulpkreet uitte: “help mijn poes is een geheim agent“. Misschien is zijn kat eveneens totaal weerloos als het over eten gaat:

“de meest recente kamikaze-actie voerde kali uit in ons appartement in antwerpen (derde verdieping). ze sprong via een bureau naar een openstaand raampje en balanceerde enkele seconden op de rand, klaar om naar beneden te donderen. mijn zus – ook reeds gekend met kali’s straffe stoten – probeerde haar van de afgrond terug te lokken door haar naam te roepen. geen succes… (logisch misschien, want haar eigenlijke naam is waarschijnlijk iets als Андреевна Владимировна Достоевский). vervolgens besloot mijn zus om kali’s zwakste punt – haar kryptoniet als het ware – in de strijd te gooien: eten. ze riep “koekje! koekje!” en kali twijfelde geen milliseconde: ze stond meteen luidkeels te miauwen op de toog in de keuken om het beloofde koekje in ontvangst te nemen. she’s gone native.”

Uit de analyse van de zoektermen blijkt echter ook dat ik enkele mensen heb moeten teluerstellen. Ik vrees dat ik de personen die op deze blog terechtkwamen door het zoeken naar “homo banaan”, “fetisch verpleegster”, “bloedgeven in de bus”, “dikke homo hamster”, “harde schijf ontsteking in het gezicht”, “geslachtsdelen ijs”, “lavabo voor gehandicapten”, “banaan in mijn kut”, “aanleg kippenparadijs”, “homo belevenissen”, “zak over je hoofd en weggooien”, “verbrande kip, tekening” en “warm zonnetje”, niet heb kunnen helpen met hun intense zingevingsvragen.

Er was echter een levensvraag die ik niet onbeantwoord kon laten, namelijk: “wanneer kwamen de eerste prince koeken ?” en de hiermee gepaard gaande eerder stellige zoekterm “eerste princekoek“. Bij deze de geschiedenis van de princekoek.

Rayke: een eigenzinnige ode aan een eigenzinnige opa

Het begon allemaal met een tandartsafspraak en hondenkak aan mijn schoenen. Dik tegen mijn goesting fietste ik die avond naar de tandarts en daar zette ik, zoals de vorige keer dat ik daar kwam, mijn fiets tegen een plaatselijke boom. Deze keer had echter ook een hond zich recentelijk tegen deze boom gezet… om een drol te draaien. Nietsvermoedend stapte ik met mijn dunne katoenen schoentjes in het perkje bij de boom en zodoende tevens in een grote, gore hondendrol. Ik poogde deze smerigheid van mijn schoenen te wrijven – gebruikmakend van de eerder vermelde plaatselijke boom – maar verspreidde het vuile goedje gewoon nog verder over mijn schoen, voet, been en broek.

Ik wilde echter niet te laat komen op mijn afspraak, omdat dit slechts de tweede keer was dat ik bij deze tandarts ging en ik uiteraard een goede indruk wilde maken. Ik betwijfel echter serieus of dit gelukt is, aangezien ik die afspraak heb aangevangen door een kwartier mijn schoenen, voeten en been te zitten wassen in zijn klein tandartslavaboke, mij uitgebreid excuserend, en ondertussen zowel tranen als een schaterlach onderdrukkend. Een kwartier bleek echter niet genoeg om de hondenkak van mij en mijn kleren te verwijderen en dus nam ik mij, nadat de tandartsafspraak achter de rug was, voor om zo snel mogelijk naar huis te fietsen. Ook dit plan faalde: toen ik mijn fiets van de boom wilde losmaken, merkte ik dat mijn ketting er af hing. Met hondenkak op mijn schoenen begon ik aan de twintig minuten durende tocht naar huis. Maar toen begon het te regenen. En toen stortte ik in.

Compleet teneergeslagen, volledig doorweekt en hevig snotterend, kon ik maar één iemand bedenken op ‘t Zuid bij wie ik terecht kon met een kapotte fiets en hondekak op mijn schoenen: Rayke, mijn grootvader langs vaderskant. Enkele maanden eerder was hij van Aalst naar Antwerpen verhuisd, na een tiental jaar van weinig contact. Vóór het hondenkak-incident bleek het moeilijk om een nieuwe band met hem op te bouwen na zoveel jaren, zelfs nu hij zo dicht bij mij woonde. Maar de avond van de tandartsafspraak en de hondenkak aan mijn schoenen heeft het ijs serieus gebroken: die avond was zo beschamend, onnozel en tegelijk tragisch dat er sinds dan tussen Rayke en mij geen taboes of gène meer was. Hij had hondenkak van mijn schoenen gekuist en ik had geweend in zijn badkamer met mijn voeten in lauw water: in één avond hadden we ons zo hard als opa en kleindochter gedragen en had ik mij zo welkom en geliefd gevoeld, dat de gemiste jaren meteen vergeten waren.

Sinds die avond zag ik Rayke steeds regelmatiger en de laatste jaren gingen we elke week samen iets eten op ‘t Zuid, patatten in de Funky Soul Potato of pizza in Da Vinci. We lachten met Tess Goossens in “Celebrity Shock” wanneer ze een paard probeerde te bestijgen maar haar broek te strak was. Hij lachte met mijn flaters op mondelinge examens en met de onnozeliteiten van mijn huisdieren. En ik lachte met Rayke zijn straffe stoten. Zoals die keer toen hij in Park Spoor Noord in een hangmat was gaan liggen maar er niet meer uitgeraakte, waardoor hij er uiteindelijk “subtiel” had moeten uitrollen. Of die keer dat hij te enthousiast aan het fietsen was en in een haag was beland waardoor hij allerlei wonden had op zijn gezicht en handen. Of toen hij een van zijn handschoenen kwijt was gespeeld bij een bankautomaat en later, nadat hij die terug was gaan zoeken, bleek dat hij onderweg naar die bankautomaat zijn andere handschoen ergens onvindbaar had kwijtgespeeld; als gevolg daarvan heeft hij maanden koppig rondgelopen met één handschoen en zijn andere hand steevast in zijn jaszak; elke keer als ik hem zo zag lopen moest ik mijn lach inhouden.

Maar we praatten ook over serieuze dingen. Over politiek, over religie, over unief. Rayke vertelde over zijn jeugd, de oorlog, over zijn eerste vrouw, over papa als kind en over mama als zijn rechterhand in zijn zaak destijds. We praatten zelfs over mijn liefdesleven en over Raykes recente amoureuze escapades.

Uiteraard waren er ook enkele ergernissen. Zo bleef Rayke elke week koppig opermkingen maken over mijn “gebrek aan etiquette”. Bijvoorbeeld: “Sanne, ge moet niet heel uw colaflesje in een keer in uw glas gieten! Ge gaat da toch nie allemaal in ene keer binnenkappen, neem ik aan? Ge moet een deel in uw colaflesje laten!”. Ik kon dan weer heel ongeduldig worden wanneer ik voor de duizendmiljoenste keer aan Rayke moest uitleggen hoe ge een chatbericht verzendt (namelijk op ENTER drukken). Mijn technologische skills werden overigens wel meer in twijfel getrokken door Rayke; volgens mij geloofde hij in zijn laatste dagen nog altijd niet dat hij én iets kon zien dat hij had opgenomen én tegelijkertijd iets kon opnemen op zijn dvd-speler met harde schijf.

Maar wat ik het meeste zal herinneren, is hoe lief en vrolijk Rayke was. Hij was een levensgenieter in hart en nieren, hij kon smakelijk eten en drinken maar nog smakelijker lachen met zichzelf, hij had een soms luxueus leven achter de rug, maar kon kinderlijk blij zijn met kleine dingen, hij was doodeerlijk en principieel, maar tegelijk ook supergevoelig en vol medeleven, hij was gastvrij, vrijgevig en vaak dolenthousiast.

Hij was de allerbeste opa ter wereld en wat ik het meeste mis, is zijn gilmlach als hij de garagepoort opendeed en mij zag staan met mijn fiets. Die gilmlach was er zelfs als ik daar stond met een kapotte fietsketting, helemaal doorweekt en met hondenkak aan mijn schoenen.

Volwassen zijn

Ik besef dat ik niet bepaald “serieus” ben. Ik praat tegen mijn huisdieren in hoge stemmetjes en noem hen dingen als “Bobling Schmobling Burritoface” en “Kali Schmali McPotatohead”, ik kijk dagelijks naar “Komen Eten” en jaarlijks naar het Eurovisiesongfestivl en ik was jarenlang verslaafd aan Princekoeken. Niet bepaald uitermate volwassen gedrag. Zo sta ik op mijn werk bekend om de ongepaste en politiek incorrecte opmerkingen die ik per ongeluk maak, om mijn passie voor puree en andere manifestaties van goddelijkheid die “de patat” wordt genoemd en om mijn seksverslaafd konijn dat zijn snackbal te pas en te onpas enthousiast aanrandt.

Persoonlijk heb ik er geen probleem mee dat ik eerder “silly” dan “serieus” ben; hierdoor kan ik lachen met mijzelf en heb ik tenminste genoeg stommiteiten om over te schrijven op deze blog. Ik omring mijzelf bovendien ook met mensen die zelf eerder onnozel zijn; ik kan niet lachen met mensen die zichzelf te serieus nemen en ik kan ook geen grappige blogposten schrijven over mensen die zich altijd volwassen gedragen.

Mijn “better half” Jeroen neemt zichzelf gelukkig niet te serieus. Zo gingen we deze week naar de bank voor de lening voor de koop van ons appartement te finaliseren. Toch een vrij volwassen daad die ik daardoor reeds uitgebreid had compenseerd met extreem onnozel gedrag. Dit had echter al enkele keren gezorgd voor ongemakkelijke momenten tijdens onze huizenjacht en tijdens onze andere “serieuze” afspraken. Dus voor we de Boerentoren binnenstapten, vertelde ik aan Jeroen hoe ik mijn “serious face” geoefend had en dat ik mijn best ging doen om deze keer geen flauwe opmerkingen te maken tijdens ons onderhoud met de KBC-persoon. Het feit dat ik dit demonstreerde door eerst een debiel gezicht te trekken, dan met mijn hand van boven naar beneden over mijn gezicht te gaan en vervolgens te eindigen met wat een “serious face” moest voorstellen, maakte het waarschijnlijk wel ongeloofwaardiger dat ik mij serieus ging houden. Ik voegde er nog aan toe dat ik het wel lastig vond om mij zo geforceerd “volwassen” te gedragen, waarop Jeroen antwoordde dat hij het soms wel tof vond om – bijvoorbeeld in vergaderingen of tijdens discussies – serieus en streng te zijn. Even dacht ik dat Jeroen een afvallige was geworden die zich plotsklaps een serieus imago ging aanmeten, waarmee ik niet meer met moppen over gehandicapten zou mogen lachen en die niet meer naar “Superfans” zou willen kijken. Toen hij er echter meteen bij zei dat hij dat “cool vond” omdat hij dan precies “undercover was”, wist ik dat ik mij niet vergist had toen ik Jeroen uitkoos als partner.

Nadat de lening “in de sacoche” was, konden we het compromis gaan tekenen bij de notaris. Ook hier had ik mijzelf voorgenomen om mij zo serieus en volwassen mogelijk voor te doen, kwestie van uit te stralen dat ik te vertrouwen ben  (wat ik overigens 100% ben, ondanks mijn onnozeliteiten). Alles ging goed (ik stelde zelfs enkele goede vragen) totdat de notaris mij vroeg om een “paraaf” te zetten op elke pagina. Ik panikeerde meteen want ik heb – naast een compleet belachelijke handtekening – totaal GEEN PARAAF. Uiteraard, zoals een volwassen serieus te nemen persoon betaamt, zorgde ik ervoor dat de innerlijke paniek niet op mijn gezicht te lezen was en poogde ik ter plekke een paraaf uit mijn duim te zuigen. Eerst leek ik iedereen succesvol misleid te hebben, waardoor ik zeer tevreden was met mijzelf. Dat ik eerst niet begrepen had waar ik mijn paraaf moest zetten en de notaris zei “Da’s niet erg, daar beneden is ook goed”, kon iedereen nog begrijpen. Dat ik na enkele pagina’s een compleet rare en uit de toon springende krabbel zette en luid “Oeps! Mislukt!” uitriep, ging echter iets minder onopgemerkt voorbij. De notaris probeerde de totaal ongemakkelijke situatie te ontmijnen en zei “U bent precies zenuwachtig!”. Dankbaar voor deze way out, bevestigde ik dat ik zeer nerveus was en zei ik er domweg bij: “Ik heb nog nooit zo’n belangrijk papier getekend! [Awkward pause waarin ik mij realiseerde dat deze opmerking niet bepaald volwassenheid uitstraalt] Behalve mijn arbeidscontract natuurlijk!”. Hiervoor wist ook de notaris geen reddingsactie te bedenken en iedereen aan de tafel probeerde gewoon te doen alsof ik dat niet gezegd had. (Een tactiek die overigens zeer vaak wordt toegepast wanneer ik per ongeluk een ongepaste opmerking maak.)

Eens thuisgekomen en bekomen van mijn uitstap in de volwassen wereld, trok ik mijn chill pants aan, keek ik een aflevering van DrPhil met Kali Schmali McPotatohead naast mij op de zetel, bedacht ik wat groffe moppen over gehandicapten, lachte ik met Bobke die zijn snackbal wild besprong, en besloot ik vanaf nu mijn blog met hoofdletters te schrijven. Kwestie van wat serieuzer over te komen.

sanne in bali: verkeerscapriolen

met een verblijf van een kleine drie weken in bali op zak, ga ik niet pretenderen een kenner te zijn van het indonesische land. dat houdt mij echter totaal niet tegen om een kritisch oog te werpen op de balinese samenleving.

in deze post laat ik mijn licht schijnen op het verkeer in bali. en “verkeer” bedoel ik in de meest organische, meest simplistische zin van het woord, namelijk “het zich bewegen of het vervoer van personen”. want in bali kent men geen verkeersregels, nee, men kent weinig regels tout court, true, maar al zéker geen verkeersregels.

aangezien de autoreis van noord-bali naar zuid-bali gemiddeld 3u478989898998 duurde, en wij deze weg een tiental keer hebben afgelegd, heb ik meer dan voldoende tijd gehad om te overpeinzen wat de oorzaak is van de complete verkeershel in bali. de verkeersborden zijn volgens mij het pijnpunt.

om te beginnen zijn er maar drie verkeersborden die we meer als 2 keer zijn tegengekomen:


(psssst, zoek de aapjes!)

en hoewel deze borden zeker kunnen dienen als een uiterst minieme indicatie voor wat er op de weg nog komen gaat, moest ik vaststellen dat ze geenszins de ware ernst van de komende verkeerssituatie weergeven. ik stel voor de volgende borden in te voeren om aan dit probleem te verhelpen:

bovendien ontbreken er nog enkele belangrijke verkeersborden die het balinees verkeer aanzienlijk veiliger zouden kunnen maken voor menig toerist, namelijk:

met deze bijdrage aan een betere en veiligere wereld, in de vorm van enkele goedbedoelde tips voor de balinese minister van verkeer, ga ik deze post afronden.

princekoeken (deel 1): de verslaving

sinds vorige week heeft mijn leven een grote wending gemaakt, een draai van 179° schat ik. sinds zaterdag 7 januari 2012 heb ik geen princekoek meer gegeten.voor meer over het levensgevaarlijke afkicken en de daarmee gepaarde ontwenningsverschijnselen: zie binnenkort op deze blog. want eerst de prangende vraag: “hoe de fuck is het zo ver kunnen komen!?”

mijn liefde voor princekoeken ontsproot zijn kiemen in mijn elfde levensjaar. sinds dan vertoefde ik op het koninklijk atheneum te mortsel, alwaar zich een koekenautomaat bevond in de “overdekte speelplaats”. daar zaten de meest goddelijke princekoeken in OOIT, per vier verpakt en lekker koud (deze variant ben ik nergens anders ooit tegengekomen). sinds dan was het hek van de dam: ik had de meest hemelse smaak ter aarde geproefd en viel weerloos ten prooi aan een verslaving van formaat.

waar mijn verslaving tijdens mijn middelbareschooltijd nog enigszins werd ingetoomd door de kostelijkheid ervan en door het feit dat ik van mijn vader maar 1 koek per dag mocht eten, gingen alle remmen los toen ik op mijn 17de het ouderlijke huis verliet en in antwerpen kwam wonen. kwijlend dagdromen van princekoeken was voorbij! ik mocht er zoveel eten als ik wou! vastbesloten om mij geen seconde langer princekoeken te ontzeggen, voedde ik mij (en mijn verslaving) dagelijks met een princekoek of twee. ik begon te merken dat princekoeken mij een goed gevoel gaven: ik at een princekoek (of drie) wanneer ik verdrietig was en ik vierde leuke gebeurtenissen met een princekoek (of vier). princekoeken waren er voor al mijn examens op de unief, zij waren er tijdens mijn eerste relatie en mijn huidige, zij waren er tijdens afleveringen van zowel “buffy the vampire slayer” als van “house md”, zij waren er op de fiets, in de les, achter mijn bureau, op de bus, …

na tien jaren bijna dagelijks een minimum aan 1 princekoek te verorberen, was mijn naïeve brein dan ook zodanig gebrainwashed dat ik de koeken in kwestie een soort bijbelse betekenis en allerlei mythische krachten toeschreef.

degenen die de eer hebben gehad met mij te mogen samenwonen, kunnen getuigen dat mijn princekoekenverslaving een grote invloed had op mijn anders zo rustige en mondaine leventje. iemand die ongepast naar mijn hemelse koekjes keek, laat stáán zomaar ongevraagd een princekoek nam, laat al helemáál stáán de ongeziene onbeschoftheid had om een van de laatste drie princekoeken te nemen, ontketende bij mij een agressieve en ongetwijfeld beangstigende tirade. ook wanneer ik doorheen de dag ontdekte dat mijn princekoeken op waren, kregen mijn hersenen een kortsluiting en bestond mijn enige dagtaak er vanaf dan in om een nieuwe doos princekoeken te bemachtigen, zelfs al zou ik deze doos uit de handen van een wenend gehandicapt dakloos kind moeten trekken.

kortom, mijn naam is sanne en ik was tien jaar lang een princekoekaholic.

BINNENKORT OP DEZE BLOG: princekoeken (deel 2). het afkicken.

liefdadigheid (deel 3): tweede charity fail

LANG GELEDEN OP DEZE BLOG: liefdadigheid (deel 1). over hoe sanne het slachtoffer werd van liefdadigheid, en haar smoske kaas hierdoor vergezeld werd van een sausje schuldgevoel.

EEN MAAND GELEDEN OP DEZE BLOG: liefdadigheid (deel 2). over hoe sanne ook eens een poging deed tot liefdadigheid in brussel, maar dit eindigde in een pijnlijke afgang.

NU OP DEZE BLOG: liefdadigheid (deel 3). over hoe sanne nog eens een poging deed tot liefdadigheid, maar er in casu getwijfeld werd aan haar goede bedoelingen.

mijn kat is volslank. sommige mensen – *kuch* jeroen *kuch – vinden dat ik de waarheid niet moet verbloemen en noemen kali sinds enkele maanden smalend “chubby mc chubberson”.wat er ook van zij, kali moest van de dierenarts op dieet. sindsdien krijgt ze dieetvoedsel en verstop ik haar eten in dozen en speelgoedjes, om haar te laten “werken” voor haar brokjes. om die reden trok ik op een novemberse zaterdag naar de dierenwinkel (een soort candyshop voor mij, een winkel die ik niet kan verlaten zonder er aan 20 euro dierenspeelgoedjes te hebben gekocht, iets waar bovengenoemde harteloze kattenbelediger zot van wordt).

deze keer wilde ik voor mijn kat een grote snackbal kopen; hierin zou ik dan haar dagelijkse portie droge brokken stoppen. na het uitkiezen van de grootste snackbal voor honden, het uiten van vele “oohs” en “aahs” en het stiekem aaien van de konijntjes en hamsters die er verkocht worden, begaf ik mij naar de kassa. tot mijn verbazing werd er mij een grote zak hondenvoedsel aangeboden. gratis! (dit in tegenstelling tot het plastiek zakje dat nodig was om de grote zak hondenbrokken te kunnen dragen, waar ik dan wel een absurde 10 cent voor moest betalen). waanzinnig enthousiast als ik was over de free goodies, besefte ik pas tijdens het fietsen dat ik helemaal geen hond had en ik voor deze zware hondenetenzak werkelijk geen enkele bestemming kon bedenken.

dit todat ik mijn appartement naderde en het wassalon in mijn ooghoek zag. enkele weken daarvoorwas ik daar namelijk dik tegen mijn goesting de was aan het doen, zoals elke week, en kwam ik daar mijn buurvrouw tegen. ons gebouw – gelegen bij de ietwat louche rooseveltplaats – wordt voornamelijk bevolkt door indiërs, maar huist ook twee oude vrouwelijke sinjoren. elk zijn zij een verschillend prototype van het “oude vrouwtje”: de een* is namelijk extreem nors, superonvriendelijk en nogal vaak dronken; de andere* is extreem praatgraag, supereenzaam en heeft een chichihondje*. om vanzelfsprekende redenen kom ik geen van beide graag tegen in de gang: de ene blaft mij steeds af met sterke alcoholgeur in haar adem, de andere onderhoudt mij uren over de gezondheidstoestand van haar schoothond (steevast gevolgd door “maar tis nen braaaaaave zenne, ge moogt em aaien, jaaaaa tis nen braaaaaaave”).

de buurvrouw die ik tegenkwam in het wassalon betrof oud vrouwtje nummer twee, de vriendelijke hondenliefhebster. zij wist mij toen te vertellen dat zij eigenlijk thuis een wasmachine had, “een veel beter zelfs als dat in de wasserette”; ze kwam naar het wassalon puur voor het gezelshap, “om nog eens onder de mensen te zijn” zei ze. ik had moeite om geen traantje weg te pinken, want rondkijkend in het lege wassalon waar voornamelijk drugsverslaafden rondhangen, wist ik dat haar eenzaamheid schrijnend moest zijn om hier te komen zoeken naar een gezellige babbel.

aldus daar op mijn fiets – met het wassalon in mijn ooghoek – werd het idee geboren om mijn buurvrouw te verblijden met de gratis zak hondeneten: op die manier ziet ze nog eens iemand en krijgt ook haar hartedief wat aandacht. bij het aanbellen hoorde ik dat hartediefje al luidkeels blaffen en wanneer het vrouwtje de deur opende, besprong het shoothondje enthousiast mijn been (gevolgd door “tis nen braaaaave zenne, ge moet gene schrik hebben, tis nen braaaave”).

tevreden met mijzelf als ik was voor het bedenken van zo’n altruïstisch plan, legde ik het vrouwtje uit dat ik deze zak gratis had gekregen bij de dierenwinkel, maar dat ik geen hond had; “daarom dacht ik dat u die misschien kon gebruiken?” vroeg ik. het oude vrouwtje reageerde echter allerminst verblijd en antwoordde: “maar ik weet niet wat daar in zit he, ik ken dat merk niet”. geschrokken door deze koele reactie stelde ik voor dat ze het gewoon eens kon proberen, want ik kan er toch niks mee doen. zuchtend zei het vrouwtje “ale dan”, waarna de aap uit de mouw kwam: ze vroeg op licht geïrriteerde toon “hoeveel vraagt ge ervoor?”.

helemaal van streek door deze gratuite blijk van wantrouwen jegens mijzelf, probeerde ik te verduidelijken dat ik er helemaal geen geld voor wou, want ik had de zak zelf gratis gekregen en anders zou ik hem gewoon moeten weggooien. het vrouwtje besefte plots dat ze onterecht aan mijn goede bedoelingen had getwijfeld en nam de zak hondeneten alsnog in ontvangst. teleurgesteld in de maatschappij die ervoor heeft gezorgd dat zelfs altruïstische daden van empathie op wantrouwen stoten, stapte ik de lift terug in op weg naar mijn appartement. ik kon alleen maar besluiten dat oud vrouwtje nummer twee duidelijk teveel heeft opgetrokken met die norse trut van de derde verdieping.

* foto’s zijn van google (via de zoektermen “grumpy old lady”, “old lady with dog” en “chichi hond”) en zijn aldus géén foto’s van de mensen en honden waarvan sprake in deze post, maar hebben wel een treffende gelijkenis.