Op stok in Kipdorp (deel 1): Rare Roepende Man en de twee loze vinken

11 jaar heb ik in Antwerpen gewoond, waarvan de laatste 4 jaar op een appartementje in de straat Kipdorp, gelegen in de studentenbuurt en bij de Rooseveltplaats. Het was een fantastisch appartement dat ik in een vlaag van post-break-up-ik-doe-nu-wat-ik-wil helemaal roos had geschilderd. Het was een zalige tijd: tussen de rozigheid , bomvol planten en bedjes voor Kali, met een eigen kamer voor de konijnen.

Ik heb jarenlang supergraag in Kipdorp gewoond. En de unieke buren heb ik er dan maar bij genomen. Maar soms, als ik terugdenk, vraag ik me af: woonde ik er graag ondanks de buren, of eigenlijk stiekem dankzij de buren? Er zaten namelijk enkele opvallende en smaakmakende figuren tussen.

Zo was er Rare Roepende Man.

Rare Man woonde op de verdieping onder mij en droeg bijna altijd een muts. Dat is nog niet zo raar. Wat wel raar was, was toen Kevin en ik op een avond Thaise wok aan het eten waren (want zo zijn we we, exotisch enzo) en Rare Man bij ons kwam aanbellen. Hij had op een bordje twee loze vinken liggen. Dat was al een beetje raar. Hij zei dat de elektriciteit in zijn appartement was uitgevallen en of wij zijn loze vinken konden klaarmaken. Ok, ik ben een vriendelijke buurvrouw, ik wil dat wel doen. In de microgolf, zei hij. Dat vond ik raar. Hij ging regelmatig twee loze vinken halen bij de slager op de Paardenmarkt en hij bereidde deze loze vinken altijd op deze wijze, in de microgolf, zonder groenten of iets anders erbij. Dat vond ik wel heel raar. Maar ok, no judgement, u vraagt, wij warmen twee loze vinken op in de microgolf. Ik vroeg of hij niet wilde binnenkomen tijdens het wachten. Nee, zei hij, maar of mijn poes wel mee op de gang mocht. Dat vond ik toch ook wel raar. Ik zei dat de poes niet op de gang mocht. Hij is dan zelf de hele tijd in de gang blijven staan. Ik vroeg hem naar zijn elektriciteitsprobleem en al snel bleek dat Rare Man nog helemaal geen stappen had ondernomen om zijn huisbaas of een elektricien te contacteren. Hij ging er kennelijk van uit dat het probleem zichzelf wel ging oplossen. Dat was toch ook wel raar. Enkele microgolfminuten later vertrok Rare Man met zijn twee loze vinken terug naar zijn appartement, om deze dan in de donkere en zonder iets bij op te eten.

Rare Man werd Rare Roepende Man toen hij enige tijd later bijna wekelijks totale wartaal begon uit te kramen, zo luid dat we het konden horen tot in ons appartement. Het leken wel schizofrene dan wel door drugs ingegeven woedeuitbarstingen tegen zichzelf. Ik weet niet of deze plotse acute zinsverbijstering te maken had met de twijfelachtige manier van het opwarmen van loze vinken, maar al snel bleek dat het niet ging ophouden. Het gebeurde overdag, ‘s nachts, in de zomer, in de winter, voordat de politie gebeld werd, nadat de politie gebeld werd. Het was moeilijk om er enige logica in te ontwaren, maar triggers leken toch het nieuws en dan vooral Martine Tanghe.

Buiten deze roepopwellingen, die zich enkel afspeelden als hij alleen thuis was in zijn appartement, was Rare Roepende Man perfect normaal in de omgang, als we hem bijvoorbeeld tegenkwamen bij het buitenzetten van de vuilzakken ofzo. Het random roepen was echter dermate hallucinant dat de buren er bijna zo krankzinnig van werden dat we zelf nog twee loze vinken van de Paardenmarkt zouden gaan opwarmen in de microgolf en ze zonder iets bij gingen opeten.

Op stok in Kipdorp, nog to come:

  • De prostituee en de vampierenvoodoo
  • De ster van “Star Academy”
  • “Lange Rik” en de Rode Duivels merch
  • De seksende kotstudenten aan de overkant
  • De kuisende kotstudente aan de overkant

“Vrijblijvend en ongebonden” (tradities)

Ik ben er altijd op een vreemde manier trots op geweest dat ik niet traditioneel ben opgevoed. Door mijn atheïstische, vrijzinnige en progressieve opvoeding dacht ik dat ik “vrijer” was. Ofzo.

De “tradities” van mijn opvoeding waren niet religieus, dogmatisch of geworteld in eeuwenoude praktijken. Onze tradities waren met de mama naar de markt op dinsdag, enkel de Disneyfilm “Fantasia”‘ kijken als we ziek waren, “papa’s puree” op zondagavond, de baas van het tv-kaske zijn als ge de boon had in de Driekoningen-taart, pannenkoeken eten en “Willow” kijken bij de oma, een snoepzak van Rayke op woensdag, de cassettes van “Samson & Gert” als we met de auto op reis gingen en koffiekoeken op zondag.

Maar de mama is er al lang niet meer, net als oma, Rayke, “Fantasia” als ik ziek ben, papa’s puree op zondag en muziekcassettes van “Samson & Gert”. Onze tradities waren maar tijdelijke en reeds vervlogen gewoontes.

De laatste weken werd ik geconfronteerd met anderen die wél tradities hebben. Diepgewortelde culturele tradities, die generaties lang gedeeld en gedragen worden door een hele familie of zelfs door een heel volk. Zulke tradities vervallen niet als mensen sterven, als familieleden in verschillende dorpen of zelfs landen wonen, als bepaalde muziekdragers uit gebruik geraken of als kinderen volwassenen worden. Zulke eeuwenoude tradities, waarvan de originele betekenis misschien helemaal geen belang meer heeft, zijn niet persoons- of tijdsgebonden en worden nog steeds samen beleefd.

Ik ben tamelijk traditieloos en dat voelt eigenlijk allesbehalve vrij. Het voelt een beetje eenzaam. Vrijblijvend, ja, en helemaal nergens aan gebonden.

Operatie 2.0: de ervaring

LANGE VERSIE:

Dinsdag 8 juli 2014 volgde mijn tweede knieoperatie, om de resterende schade aan mijn kraakbeen te herstellen. Het was dus dezelfde operatie, dezelfde chirurg en hetzelfde ziekenhuis als 8 maanden ervoor.

De ochtend begon al beter als de vorige keer: ik had braaf niets gegeten of gedronken en ik kon gewoon wandelen naar het ziekenhuis in plaats van een taxi te nemen en onderweg geld te moeten gaan afhalen. Eens aangekomen in het ziekenhuis, werd er ook niet meer met mijn eenpersoonskamer en vermeende VIP-status gespot, aangezien ik nu slechts een tweepersoonskamer had geboekt. Bovendien werd deze keer, onder mijn aandachtig toeziend oog, op het juiste been een pijl gezet.

Eens ik naar het operatiekwartier gebracht werd, ging het echter van kwaad naar erger. Ik begon erg veel stress te krijgen en chirurg Leren Vest had deze keer geen leren vest aan toen hij goedendag kwam zeggen, maar wel zijn “scrubs“. Toen Leren Vest naar mijn ziekenhuisbed kwam gewandeld, zwaaide hij bovendien met zijn armen, waardoor ik domweg dacht dat hij wilde high fiven (alsof normale volwassen mensen dat op zo’n moment zouden doen? what is wrong with me!?) en ik aldus mijn hand omhoog stak om de high five in ontvangst te nemen, waarna pijnlijk duidelijk werd dat hij mij gewoon een hand wilde geven (zoals elke normale medemens die niet Sanne is). Awkward!

In de operatiekamer werd mij een anesthesiemiddel toegediend en kwam ook het zuurstofmasker op de proppen. Plots kreeg ik heel veel achterhoofd- en nekpijn waardoor ik begon te panikeren/wenen en instinctief het zuurstofmasker probeerde te ontwijken. De anesthesist en verpleegster probeerden mij te kalmeren en het zuurstofmasker terug op mijn gezicht te krijgen. Ze zeiden “rustig in en uit ademen, er is niks mis” en het volgende dat ik mij herinner is de verkoeverruimte.

IMAG1385

In de verkoeverruimte werd ik langzaam wakker met een extreem comfy warmtedeken op mijn lichaam. It was the best thing ever. (Ik had de verpleegsters op voorhand laten weten dat ik de voorbije twee keer dat ik volledige verdoving had ondergaan telkens bevriezend wakker werd.) Zalig genietend van de heerlijke warmte, en ongetwijfeld ook een beetje high van de anesthesie, heb ik iedereen die aan mijn bed kwam staan uitvoerig bedankt voor de goede zorgen, dit alles met mijn ogen toe en ongetwijfeld maar half-verstaanbaar omdat ik lekker aan het verkoeveren was. Het kon mij overigens geen kak schelen hoe de operatie verlopen was, want ik had een elektrisch deken en everything was awesome.

Even onverwacht en bruut als die mislukte high five met Leren Vest, was het moment toen ze het warmtedeken van mij afnamen. Zonder boe of ba werd de hemelse warmtebrenger van mij weggenomen en werd mijn bed richting kamer gereden. Daar werd mij al snel eten aangeboden, wat ik weigerde omdat ik kotsmisselijk was. Even later werd mij aangemaand toch iets te eten en te drinken, waarop ze mij rechtzetten in mijn bed en ik vervolgens bijna van mijn sus ging. Ik begon weg te draaien en blijkbaar zag ik er nog witter dan normaal uit, want de mevrouw in het bed naast mij drukte op “de rode knop” om een verpleegster te roepen. Die verpleegster deed mijn bed terug naar beneden en zei “daarvoor moet ge toch niet wenen!” en ik dacht in mijzelf “ik ween als ik wil wenen! it’s my operation and i’ll cry if i want to!“. Uiteindelijk voelde ik mij iets beter en heb ik de boterhammen met confituur en smeerkaas gegeten, alsook wat water gedronken. Leren Vest kwam mij vertellen over de operatie, maar had geen leren vest aan, doch wel een zomerse blazer.

In de namiddag kwam het moment van vertrek naar huis. De mama van Papzak kwam mij ophalen. Zij is verpleegster en had een auto. Haar verpleegster-zijn was een groot succes, haar auto iets minder. Onderweg naar de parking werd ik zo misselijk van in de rolstoel te zitten, dat ik bijna moest overgeven, waarop een mevrouw van het onthaal kwam toegesneld met een bloempot. Ik werd op een brancard (keidramatisch!) terug naar mijn kamer gebracht, waar een lage bloeddruk werd vastgesteld en ik even moest bekomen alvorens nog een vertrekpoging te ondernemen. Deze tweede poging verliep niet veel beter. De bloempot hadden we ingewisseld voor een plastiek zakje, dat ik al nodig bleek te hebben in de Huidevettersstraat. Eens de boterhammen met confituur en smeerkaas er in de verkeerde richting terug uit waren gekomen, voelde ik mij wel een pak beter.

Thuis heb ik een dutje gedaan, een Iglo-maaltijd gegeten, “Dr. Phil” op YouTube gezien en hevig smachtend teruggedacht aan mijn warmtedeken.

KORTE VERSIE:

LEUK:

  • Pijl op juiste been (+)
  • Extreem awesome elektrisch warmtedeken in verkoeverruimte (++++++)

NIET ZO LEUK:

  • Mislukte high five met Leren Vest (-)
  • Wenen in zuurstofmasker (-)
  • Leren Vest had geen leren vest aan, maar een zomerse blazer (- -)
  • Bijna overgeven in bloempot (-)
  • Overgeven in auto (- -)

CONCLUSIE:

Ondanks het feit dat de ervaring met het warmtedeken the best thing ever was, maakte het misselijk zijn, de high five fail en de zomerse blazer het al bij al toch een minder geslaagde dag.

IMAG1098

Binnenkort op deze blog: “Operatie 2.0: de revalidatie”.

Sanne in de OK: operatie 2.0

Oktober 2013 was niet bepaald de beste maand van mijn leven. In die maand liep mijn relatie van 5 jaar op de klippen, moest ik daardoor verhuizen én moest ik geopereerd worden aan mijn knie nadat ik tijdens het voetballen gevallen was.

De week voor mijn operatie viel samen met de week dat ik gedumpt was. De weken na mijn operatie -toen ik moest revalideren- vielen samen met de weken dat ik pas gedumpt was en met de weken waarin ik een nieuw appartement moest zoeken, meubels moest kopen en moest verhuizen. In de weken voorafgaand en na mijn operatie heb ik liters Ben&Jerry’s verorberd, de eerste drie seizoenen van “Game of Thrones” gezien en blijkbaar elke dag wenend mijn zus opgebeld. Soms allemaal tegelijkertijd.

knie3

De dag van de operatie zelf verliep niet vlekkeloos. ‘s Ochtends had ik al per ongeluk bijna ontbeten uit gewoonte, terwijl ik nuchter moest blijven. Vervolgens had ik stiekem “mijn medicijnen genomen met een slokje water” omdat ik bijna omkwam van de honger en dorst. Die ochtend moest ik met een taxi naar het ziekenhuis. Ik geraakte al amper in het taxibusje met mijn kapotte knie en moest dan onderweg ook nog eens geld gaan afhalen om de chauffeur te kunnen betalen.

Eens aangekomen in het ziekenhuis, werd ik smalend door de gangen geleid als “de VIP” omdat ik via mijn hospitalisatieverzekering een eenpersoonskamer kreeg terugbetaald. Dan zette de verpleegster, voor ik er erg in had, een gigantische pijl op mijn verkeerde been, “zodat de chirurg wist waar hij moest zijn“. Toen ik haar duidelijk maakte dat de chirurg onder geen enkel beding bij mijn rechterknie moest zijn omdat het mijn linkerknie was die geopereerd moest worden, werd ik niet geloofd en belde de verpleegster wantrouwig de chirurg. Die had blijkbaar per vergissing “rechterknie” op het blad gezet en gaf toe dat het mijn linkerknie was “waar hij moest zijn“. Desgevallend probeerde de verpleegster de dikke rode pijl op mijn rechterbeen weg te vegen en af te schuren. Tevergeefs. Ten slotte zette ze er dan maar een kruis over en een nóg grotere pijl op mijn linkerbeen.

Nadat ik uiteindelijk onder het gewicht van een ondraaglijk schuldgevoel had toegegeven dat ik die ochtend “mijn medicijnen met een slokje water had genomen” en de verpleegster hier niet mee kon lachen omdat ik nuchter had moeten blijven, werd ik naar de operatiekamer geleid. Vanaf dan klampte ik paniekerig elke persoon aan die ik tegenkwam om te verkondigen dat ze enkel mijn linkerknie moesten opereren en dat ze die andere pijl totaal moesten negeren. Dan kreeg ik kalmeringspilletjes en een kalmeringsspuitje. Dan kwam de chirurg langs en die had een leren vest aan. Dat vond ik wel fancy. Ik zei hem dat hij bij mijn linkerknie moest zijn. Daarna herinner ik mij niks meer.

knie2

Toen ik wakker werd in de narcoseruimte (?), had ik het koud, deed mijn been pijn en vroeg ik meteen aan de dichtstbijzijnde persoon wat er nu mis was met mijn knie: kruisbanden, meniscus, iets anders? De narcoseverpleegster (?) zei dat het mijn kraakbeen was, waarna ik weer indommelde en pas bijkwam toen ik weer in mijn VIP-eenpersoonskamer was. Ik vroeg de verpleegster die de verkeerde pijl had gezet wanneer de chirurg langskwam om uitleg te geven, maar zij verzekerde mij dat ik hierop niet moest wachten. Toen ik protesteerde dat er tijdens de operatie blijkbaar gebleken is dat er een kraakbeenprobleem was, zei de verpleegster dat het gewoon mijn kruisbanden waren en dat ik wel gehallucineerd zal hebben dat iemand mij vertelde dat het een kraakbeenprobleem was. (Alsof ooit iemand in the history of the world dat gehallucineerd heeft? Da’s keirandom?) Ondanks de onbetwistbare betrouwbaarheid van de verpleegster die de verkeerde pijl had gezet, besloot ik toch maar te wachten. De chirurg wist mij te zeggen dat het wel degelijk een kraakbeenprobleem was. Ondertussen was ik zo goed als omgekomen van de honger en dorst, maar kreeg ik water en yoghurt (“waarom geven ze niet gewoon platte kak?” vroeg ik mij af).

Even later werd ik opgehaald door mijn ex-schoonmoeder, eens thuis bracht mijn ex-schoonzus mij een pot Ben&Jerry’s, even later belde ik wenend mijn zus en de rest van de dag keek ik naar “Game of Thrones”.

knie4knie

Morgen word ik opnieuw geopereerd aan mijn knie. Er is waarschijnlijk (nog) een kraakbeenletsel.

Ondanks al het bovenstaande, kies ik toch opnieuw voor hetzelfde ziekenhuis, want mijn chirurg had een leren vest aan toen hij mij goedendag kwam zeggen en ik vond dat wel tof.

Het geluk zit in kleine dingen.

3 pleziertjes van een pendelaar

Eerder op deze blog: “3 ergernissen van een pendelaar”.

Nu op deze blog: “3 pleziertjes van een pendelaar”.

Waarna u een weloverwogen mening kan vormen om deze onnozele poll in te vullen:

[polldaddy poll=7958620]

3 pleziertjes van een pendelaar

Hoewel ik niet bepaald bekend sta om mijn genuanceerde uitspraken (er is geen woord dat ik schuw!), wil ik op deze blog liever niet de cynische zak uithangen. Om die reden kon een positief vervolg op voorgaande rant over mijn pendeling/perndelement niet ontbreken. Bij deze: 3 stiekeme pleziertjes van een pendelaar.

1. Aangezien ik niet bedeeld ben met een enigszins ontwikkelde fijne motoriek (elke dag kap ik per ongeluk cola naast mijn mond; dan voel ik plots een plakkerige vloeistof in mijn decolleté; smerige boel en zeer awkward), verkeer ik in de onmogelijkheid een papieren krant te lezen. Dat ding manoeuvreren is onbegonnen werk en hoe dan ook beginnen mijn armen na een tijdje ook wel pijn te doen (best zware lectuur, zo’n krant). Ik lees mijn nieuws dan ook online, de hele dag door, beginnend van tijdens mijn ontbijt op de iPad, over op mijn bureau op de desktop, tot ‘s avonds op de zetel. En toch, tóch, kan ik het niet laten om mee te lezen als er naast mij op de trein iemand zit die de Metro aan’t bekijken is. Ik begin innerlijk al te trappelen als er naast mij iemand komt zitten die eruitziet alsof hij wel nieuws-gierig is en word helemaal wild als hij op zijn iPad deStandaard begint te lezen. Ik gluur zo schaamteloos mee over die persoon zijn schouder dat ik soms merk dat ze de bladzijde niet durven omdraaien aangezien ik nog niet klaar ben met lezen. I approve of this. Een enkele keer was mijn gratis meegloeren zo overduidelijk, dat de man -wiens Metro ik met mijn ogen aan het begeren was zoals de Zoo de panda’s van Pairi Daiza begeert- mij zijn krant aanbood toen hij ging uitstappen in Mechelen. Ik heb het aanbod uit beleefdheid aanvaard, maar, laten we eerlijk zijn, die krant interesseert mij geen kak meer en verwordt tot een papieren informatievod eens ik er uitdrukkelijke toestemming en vrije toegang toe heb.

2. Naast de creepy krantengluurder/leecher in mij, komt ook de autist in mij goed aan zijn trekken tijdens mijn dagelijks pendelement. Ik probeer ‘s ochtends steevast op dezelfde trein, in dezelfde wagon en op dezelfde plaats te gaan zitten en merk dat ook andere pendelaars zich hardnekkig aan hun vast plekje houden. Zo heb ik in de voorbije drie jaar verschillende mensen leren kennen die ik probleemloos kan situeren in de laatste wagon van de trein van 8u17 in Centraal: jongen met plooifiets die op Jejoen Bontinck lijkt, donkerharige man met bril en iPad, Franstalige 50-jarige vrouw met bril, man die altijd de zonnewering half naar beneden doet om er tegen te slapen, twee blonde meisjes waarvan een altijd haar make-up doet op de trein, man die op Kirk uit “Gilmore Girls” trekt, meisje met fleurige kleedjes, man met Harry Potter-achtige bril die in Berchem opstapt en pas 10 minuten later gaat zitten, meisje dat het parfum “Angel” van Thierry Mugler draagt, jongen met O’Neill-rugzak, etc. Slechts een kleine selectie van personen die ik ‘s ochtends op de trein tegenkom. Met geen een van hen heb ik ooit een gesprek gehad dat verdergaat dan “Is die plaats bezet?” of “Ja, ge moogt een bik lenen om uw Go-Pass in te vullen”, maar toch ben ik tamelijk gehecht aan deze vaste gezichten. Ze zitten, zoals men zegt, in mijn Monkeysphere. Dat pendelen goed kan zijn voor networking, wist ik al langer. Zo treint de Antwerpse delegatie van mijn werk -zowel rechters, als attachés, als mensen van de juridische dienst, als coördinatoren- regelmatig samen, wat tot menig niet-jobgerelateerd gesprek én een succesvol quizteam (“Spoor 11”) heeft geleid. Ook mijn vriendschap met I.V.d.B. (“Papzak”) -toen we nog beide in “den 2060” woonden, met slechts het Atheneum dat onze appartementen van elkaar scheidde- heeft veel baat gehad bij het pendelen. We hebben maandenlang ‘s ochtends samen de trein genomen, waardoor ik bij bovengenoemde medereizigers ongetwijfeld in hun Monkeysphere zit als “meisje dat vroeger op de trein zat met Papzak, waarmee zij schaamteloos praatte over hun seksleven, over drolletjes-naast-de-kattenbak van een zekere Romulus, over N-VA, over schriftelijke procedures, over raam- en dakisolatie, over avonturen van een doof konijn genaamd Bobke, over verhuizen en over prikklokken”. Of als “creepy krantengluurder/leecher” en “raar mens dat foto’s trekt van kleine zwarte paardjes” (zie onder), dat kan ook.

3. Wat de autist in mij ook zeer pleziert, is het vaste stramien van huisjes-tuintjes-boompjes dat passeert langs het raam op mijn vaste plaats in de trein. Als een kritische werfleider volg ik alle werken op die zich bevinden langs de sporen Antwerpen-Brussel. Zo is er de nieuwe fietsenstalling bij het station van Hove, de “fietsostrade” die tot Mechelen werd aangelegd en die ik elke week een beetje verder zag reiken, de gigantische werf bij Mechelen-station waar ze precies twee voetbalstadions gaan installeren (zo gigantisch is het) en de nieuwe autoparking bij Schaarbeek. Ook als dierenvriend kan ik mijn hart ophalen tijdens het pendelen: ik zie honden die worden uitgelaten, paarden die aan jumping doen, er zijn sinds een week babyschaapjes geboren in een wei, er passeert een hondenschool, en ik zie ‘s ochtends vaak een man eten geven aan alle vogels in de buurt en, als hij nog niet geweest is als mijn trein passeert, zwermen de vogels ongeduldig boven zijn tuin. Maar het meest kijk ik uit naar Pixel, een klein zwart paardje dat ik die naam gaf omdat er ergens op een brug “pixel” ge-graffiti-d staat. Pixel staat bij een klein lief huisje, vlak na het station Sint-Katelijne-Waver en is megaschattig. Soms staat hij in een grote wei achter het huis, maar ik heb hem spijtig genoeg al enkele weken niet meer gespot. Mogelijk staat hij (tijdelijk) ergens anders te chillen en duikt hij binnenkort terug op in mijn gezichtsveld. Pixel is zelfs te vinden op Google Maps!

Met mijn GSM getrokken vanuit de trein:

Pixel 1 Pixel 2

Op Google Maps:

pixel 3 pixel 4

Uit de oude doos: “3 ergernissen van een pendelaar”

Geschreven op 12 april 2012 (twee jaar geleden), maar nooit gepubliceerd:

3 ergernissen van een pendelaar

sinds een half jaar ben ik een (hard)werkende medemens. elke dag begeef ik mij op de fiets naar het centraal-station (ongeveer 2 minuten), waarna ik een hemeltergend saaie en uiterst onaangename drukke treinrit van 37 minuten moet doorstaan en ik ten slotte van brussel-noord naar mijn werk wandel (7 minuten).

de gemiddeld-opmerkzame lezer heeft wellicht uit de vorige paragraaf reeds afgeleid dat ik geen fan ben van pendelen. omdat het zeer ergerlijk is wanneer mensen een sterke mening uiten maar die niet verder onderbouwen, volgt nu een meer uitgebreide uiteenzetting over de negatieve punten van mijn dagelijkse pendeling (pendelement?).

1. de hel der pendelen beperkt zich niet alleen tot het treingebeuren sensu stricto. ook het station zelf bezorgt mij al menig frustratie: om te beginnen zijn de roltrappen in antwerpen-centraal (maar ook overal elders) behept met een verborgen gebrek (zie mij goochelen met rechtgeleerde terminologieën! straks ga ik nog hoofdletters gebruiken!). dit gebrek belet armzalige pendelaars ervan een hele roltraprit rustig te chillen: wanneer men immers op de roltrap stapt en men zijn hand/elleboog/arm steunt op de leuning, wordt men na verloop van tijd op diabolische wijze ge-tweeën-deeld omdat de leuning van de roltrap ongeveer dubbel zo snel rolt als de trappen. hoewel een goede stretch wel eens aangenaam kan zijn, apprecieer ik het niet dat dit mij tweemaal daags ongevraagd wordt opgedrongen. ik vind dit dan ook, ingenieur-technisch gezien, totaal onvergefelijk: wat is immers het nut van een leuning als men er niet efficiënt op kan leunen!?

2. de gemiddeld-opmerkzame en bovengemiddeld-betweterige lezer stelt zich nu ongetwijfeld de vraag: “waarom neemt sanne dan niet de lift in het centraal-station?”. wel, de lift nemen is evenzeer frustrerend. het is mij opgevallen dat, bij het opengaan van liftdeuren, sommige mensen kennelijk elk begrip van elementaire beleefdheid plotsklaps verliezen: zij beginnen te duwen, voor te steken, deuren te blokkeren en meer van dat egoïstisch apengedrag. als ik bij het willen uitstappen van de lift weer eens over een hordetraject van kinderwagens en aktetassen moet springen, kan ik serieus de mensheid en het pendelen vervloeken.

3. eens op het perron aangekomen, moet uiteraard nog de ergste ergernis van het pendelen komen: de vertragingen. er zal altijd wel een of andere reden voor zijn, maar deze zijn zo divers en onvoorspelbaar dat de autist in mij hier zeer ongemakkelijk van wordt. ik voelde mij dan ook genoodzaakt allerlei vergezochte en onrealistische theorieën te bedenken over de vertragingen bij de nmbs; zo is er de zo goed als waterdichte theorie dat de eerstvolgende trein naar antwerpen altijd vertraging heeft als ik de trein plan te nemen met mijn collega Axe. (zijn naam is Axel, maar de afkorting Axe. is wel veel cooler).

ndvr: Ik heb de laatste zin over Axel moeten vervolledigen, blijkbaar was de inspiratie destijds plotsklaps op, en er is dus ook geen logisch doch superspitsvondig einde.

tweede nvdr: Ik heb nog steeds dezelfde ergernissen als twee jaar geleden, maar heb ondertussen ook de theorie ontwikkeld dat ik grotere kans op treinvertraging heb als ik de trein wil nemen met mijn collega Annemi. (Annemie).

derde nvdr: binnenkort op deze blog: “nog-nader-te-bepalen-aantal pleziertjes van een pendelaar”!

Rayke: een eigenzinnige ode aan een eigenzinnige opa

Het begon allemaal met een tandartsafspraak en hondenkak aan mijn schoenen. Dik tegen mijn goesting fietste ik die avond naar de tandarts en daar zette ik, zoals de vorige keer dat ik daar kwam, mijn fiets tegen een plaatselijke boom. Deze keer had echter ook een hond zich recentelijk tegen deze boom gezet… om een drol te draaien. Nietsvermoedend stapte ik met mijn dunne katoenen schoentjes in het perkje bij de boom en zodoende tevens in een grote, gore hondendrol. Ik poogde deze smerigheid van mijn schoenen te wrijven – gebruikmakend van de eerder vermelde plaatselijke boom – maar verspreidde het vuile goedje gewoon nog verder over mijn schoen, voet, been en broek.

Ik wilde echter niet te laat komen op mijn afspraak, omdat dit slechts de tweede keer was dat ik bij deze tandarts ging en ik uiteraard een goede indruk wilde maken. Ik betwijfel echter serieus of dit gelukt is, aangezien ik die afspraak heb aangevangen door een kwartier mijn schoenen, voeten en been te zitten wassen in zijn klein tandartslavaboke, mij uitgebreid excuserend, en ondertussen zowel tranen als een schaterlach onderdrukkend. Een kwartier bleek echter niet genoeg om de hondenkak van mij en mijn kleren te verwijderen en dus nam ik mij, nadat de tandartsafspraak achter de rug was, voor om zo snel mogelijk naar huis te fietsen. Ook dit plan faalde: toen ik mijn fiets van de boom wilde losmaken, merkte ik dat mijn ketting er af hing. Met hondenkak op mijn schoenen begon ik aan de twintig minuten durende tocht naar huis. Maar toen begon het te regenen. En toen stortte ik in.

Compleet teneergeslagen, volledig doorweekt en hevig snotterend, kon ik maar één iemand bedenken op ‘t Zuid bij wie ik terecht kon met een kapotte fiets en hondekak op mijn schoenen: Rayke, mijn grootvader langs vaderskant. Enkele maanden eerder was hij van Aalst naar Antwerpen verhuisd, na een tiental jaar van weinig contact. Vóór het hondenkak-incident bleek het moeilijk om een nieuwe band met hem op te bouwen na zoveel jaren, zelfs nu hij zo dicht bij mij woonde. Maar de avond van de tandartsafspraak en de hondenkak aan mijn schoenen heeft het ijs serieus gebroken: die avond was zo beschamend, onnozel en tegelijk tragisch dat er sinds dan tussen Rayke en mij geen taboes of gène meer was. Hij had hondenkak van mijn schoenen gekuist en ik had geweend in zijn badkamer met mijn voeten in lauw water: in één avond hadden we ons zo hard als opa en kleindochter gedragen en had ik mij zo welkom en geliefd gevoeld, dat de gemiste jaren meteen vergeten waren.

Sinds die avond zag ik Rayke steeds regelmatiger en de laatste jaren gingen we elke week samen iets eten op ‘t Zuid, patatten in de Funky Soul Potato of pizza in Da Vinci. We lachten met Tess Goossens in “Celebrity Shock” wanneer ze een paard probeerde te bestijgen maar haar broek te strak was. Hij lachte met mijn flaters op mondelinge examens en met de onnozeliteiten van mijn huisdieren. En ik lachte met Rayke zijn straffe stoten. Zoals die keer toen hij in Park Spoor Noord in een hangmat was gaan liggen maar er niet meer uitgeraakte, waardoor hij er uiteindelijk “subtiel” had moeten uitrollen. Of die keer dat hij te enthousiast aan het fietsen was en in een haag was beland waardoor hij allerlei wonden had op zijn gezicht en handen. Of toen hij een van zijn handschoenen kwijt was gespeeld bij een bankautomaat en later, nadat hij die terug was gaan zoeken, bleek dat hij onderweg naar die bankautomaat zijn andere handschoen ergens onvindbaar had kwijtgespeeld; als gevolg daarvan heeft hij maanden koppig rondgelopen met één handschoen en zijn andere hand steevast in zijn jaszak; elke keer als ik hem zo zag lopen moest ik mijn lach inhouden.

Maar we praatten ook over serieuze dingen. Over politiek, over religie, over unief. Rayke vertelde over zijn jeugd, de oorlog, over zijn eerste vrouw, over papa als kind en over mama als zijn rechterhand in zijn zaak destijds. We praatten zelfs over mijn liefdesleven en over Raykes recente amoureuze escapades.

Uiteraard waren er ook enkele ergernissen. Zo bleef Rayke elke week koppig opermkingen maken over mijn “gebrek aan etiquette”. Bijvoorbeeld: “Sanne, ge moet niet heel uw colaflesje in een keer in uw glas gieten! Ge gaat da toch nie allemaal in ene keer binnenkappen, neem ik aan? Ge moet een deel in uw colaflesje laten!”. Ik kon dan weer heel ongeduldig worden wanneer ik voor de duizendmiljoenste keer aan Rayke moest uitleggen hoe ge een chatbericht verzendt (namelijk op ENTER drukken). Mijn technologische skills werden overigens wel meer in twijfel getrokken door Rayke; volgens mij geloofde hij in zijn laatste dagen nog altijd niet dat hij én iets kon zien dat hij had opgenomen én tegelijkertijd iets kon opnemen op zijn dvd-speler met harde schijf.

Maar wat ik het meeste zal herinneren, is hoe lief en vrolijk Rayke was. Hij was een levensgenieter in hart en nieren, hij kon smakelijk eten en drinken maar nog smakelijker lachen met zichzelf, hij had een soms luxueus leven achter de rug, maar kon kinderlijk blij zijn met kleine dingen, hij was doodeerlijk en principieel, maar tegelijk ook supergevoelig en vol medeleven, hij was gastvrij, vrijgevig en vaak dolenthousiast.

Hij was de allerbeste opa ter wereld en wat ik het meeste mis, is zijn gilmlach als hij de garagepoort opendeed en mij zag staan met mijn fiets. Die gilmlach was er zelfs als ik daar stond met een kapotte fietsketting, helemaal doorweekt en met hondenkak aan mijn schoenen.

Volwassen zijn

Ik besef dat ik niet bepaald “serieus” ben. Ik praat tegen mijn huisdieren in hoge stemmetjes en noem hen dingen als “Bobling Schmobling Burritoface” en “Kali Schmali McPotatohead”, ik kijk dagelijks naar “Komen Eten” en jaarlijks naar het Eurovisiesongfestivl en ik was jarenlang verslaafd aan Princekoeken. Niet bepaald uitermate volwassen gedrag. Zo sta ik op mijn werk bekend om de ongepaste en politiek incorrecte opmerkingen die ik per ongeluk maak, om mijn passie voor puree en andere manifestaties van goddelijkheid die “de patat” wordt genoemd en om mijn seksverslaafd konijn dat zijn snackbal te pas en te onpas enthousiast aanrandt.

Persoonlijk heb ik er geen probleem mee dat ik eerder “silly” dan “serieus” ben; hierdoor kan ik lachen met mijzelf en heb ik tenminste genoeg stommiteiten om over te schrijven op deze blog. Ik omring mijzelf bovendien ook met mensen die zelf eerder onnozel zijn; ik kan niet lachen met mensen die zichzelf te serieus nemen en ik kan ook geen grappige blogposten schrijven over mensen die zich altijd volwassen gedragen.

Mijn “better half” Jeroen neemt zichzelf gelukkig niet te serieus. Zo gingen we deze week naar de bank voor de lening voor de koop van ons appartement te finaliseren. Toch een vrij volwassen daad die ik daardoor reeds uitgebreid had compenseerd met extreem onnozel gedrag. Dit had echter al enkele keren gezorgd voor ongemakkelijke momenten tijdens onze huizenjacht en tijdens onze andere “serieuze” afspraken. Dus voor we de Boerentoren binnenstapten, vertelde ik aan Jeroen hoe ik mijn “serious face” geoefend had en dat ik mijn best ging doen om deze keer geen flauwe opmerkingen te maken tijdens ons onderhoud met de KBC-persoon. Het feit dat ik dit demonstreerde door eerst een debiel gezicht te trekken, dan met mijn hand van boven naar beneden over mijn gezicht te gaan en vervolgens te eindigen met wat een “serious face” moest voorstellen, maakte het waarschijnlijk wel ongeloofwaardiger dat ik mij serieus ging houden. Ik voegde er nog aan toe dat ik het wel lastig vond om mij zo geforceerd “volwassen” te gedragen, waarop Jeroen antwoordde dat hij het soms wel tof vond om – bijvoorbeeld in vergaderingen of tijdens discussies – serieus en streng te zijn. Even dacht ik dat Jeroen een afvallige was geworden die zich plotsklaps een serieus imago ging aanmeten, waarmee ik niet meer met moppen over gehandicapten zou mogen lachen en die niet meer naar “Superfans” zou willen kijken. Toen hij er echter meteen bij zei dat hij dat “cool vond” omdat hij dan precies “undercover was”, wist ik dat ik mij niet vergist had toen ik Jeroen uitkoos als partner.

Nadat de lening “in de sacoche” was, konden we het compromis gaan tekenen bij de notaris. Ook hier had ik mijzelf voorgenomen om mij zo serieus en volwassen mogelijk voor te doen, kwestie van uit te stralen dat ik te vertrouwen ben  (wat ik overigens 100% ben, ondanks mijn onnozeliteiten). Alles ging goed (ik stelde zelfs enkele goede vragen) totdat de notaris mij vroeg om een “paraaf” te zetten op elke pagina. Ik panikeerde meteen want ik heb – naast een compleet belachelijke handtekening – totaal GEEN PARAAF. Uiteraard, zoals een volwassen serieus te nemen persoon betaamt, zorgde ik ervoor dat de innerlijke paniek niet op mijn gezicht te lezen was en poogde ik ter plekke een paraaf uit mijn duim te zuigen. Eerst leek ik iedereen succesvol misleid te hebben, waardoor ik zeer tevreden was met mijzelf. Dat ik eerst niet begrepen had waar ik mijn paraaf moest zetten en de notaris zei “Da’s niet erg, daar beneden is ook goed”, kon iedereen nog begrijpen. Dat ik na enkele pagina’s een compleet rare en uit de toon springende krabbel zette en luid “Oeps! Mislukt!” uitriep, ging echter iets minder onopgemerkt voorbij. De notaris probeerde de totaal ongemakkelijke situatie te ontmijnen en zei “U bent precies zenuwachtig!”. Dankbaar voor deze way out, bevestigde ik dat ik zeer nerveus was en zei ik er domweg bij: “Ik heb nog nooit zo’n belangrijk papier getekend! [Awkward pause waarin ik mij realiseerde dat deze opmerking niet bepaald volwassenheid uitstraalt] Behalve mijn arbeidscontract natuurlijk!”. Hiervoor wist ook de notaris geen reddingsactie te bedenken en iedereen aan de tafel probeerde gewoon te doen alsof ik dat niet gezegd had. (Een tactiek die overigens zeer vaak wordt toegepast wanneer ik per ongeluk een ongepaste opmerking maak.)

Eens thuisgekomen en bekomen van mijn uitstap in de volwassen wereld, trok ik mijn chill pants aan, keek ik een aflevering van DrPhil met Kali Schmali McPotatohead naast mij op de zetel, bedacht ik wat groffe moppen over gehandicapten, lachte ik met Bobke die zijn snackbal wild besprong, en besloot ik vanaf nu mijn blog met hoofdletters te schrijven. Kwestie van wat serieuzer over te komen.

liefdadigheid (deel 3): tweede charity fail

LANG GELEDEN OP DEZE BLOG: liefdadigheid (deel 1). over hoe sanne het slachtoffer werd van liefdadigheid, en haar smoske kaas hierdoor vergezeld werd van een sausje schuldgevoel.

EEN MAAND GELEDEN OP DEZE BLOG: liefdadigheid (deel 2). over hoe sanne ook eens een poging deed tot liefdadigheid in brussel, maar dit eindigde in een pijnlijke afgang.

NU OP DEZE BLOG: liefdadigheid (deel 3). over hoe sanne nog eens een poging deed tot liefdadigheid, maar er in casu getwijfeld werd aan haar goede bedoelingen.

mijn kat is volslank. sommige mensen – *kuch* jeroen *kuch – vinden dat ik de waarheid niet moet verbloemen en noemen kali sinds enkele maanden smalend “chubby mc chubberson”.wat er ook van zij, kali moest van de dierenarts op dieet. sindsdien krijgt ze dieetvoedsel en verstop ik haar eten in dozen en speelgoedjes, om haar te laten “werken” voor haar brokjes. om die reden trok ik op een novemberse zaterdag naar de dierenwinkel (een soort candyshop voor mij, een winkel die ik niet kan verlaten zonder er aan 20 euro dierenspeelgoedjes te hebben gekocht, iets waar bovengenoemde harteloze kattenbelediger zot van wordt).

deze keer wilde ik voor mijn kat een grote snackbal kopen; hierin zou ik dan haar dagelijkse portie droge brokken stoppen. na het uitkiezen van de grootste snackbal voor honden, het uiten van vele “oohs” en “aahs” en het stiekem aaien van de konijntjes en hamsters die er verkocht worden, begaf ik mij naar de kassa. tot mijn verbazing werd er mij een grote zak hondenvoedsel aangeboden. gratis! (dit in tegenstelling tot het plastiek zakje dat nodig was om de grote zak hondenbrokken te kunnen dragen, waar ik dan wel een absurde 10 cent voor moest betalen). waanzinnig enthousiast als ik was over de free goodies, besefte ik pas tijdens het fietsen dat ik helemaal geen hond had en ik voor deze zware hondenetenzak werkelijk geen enkele bestemming kon bedenken.

dit todat ik mijn appartement naderde en het wassalon in mijn ooghoek zag. enkele weken daarvoorwas ik daar namelijk dik tegen mijn goesting de was aan het doen, zoals elke week, en kwam ik daar mijn buurvrouw tegen. ons gebouw – gelegen bij de ietwat louche rooseveltplaats – wordt voornamelijk bevolkt door indiërs, maar huist ook twee oude vrouwelijke sinjoren. elk zijn zij een verschillend prototype van het “oude vrouwtje”: de een* is namelijk extreem nors, superonvriendelijk en nogal vaak dronken; de andere* is extreem praatgraag, supereenzaam en heeft een chichihondje*. om vanzelfsprekende redenen kom ik geen van beide graag tegen in de gang: de ene blaft mij steeds af met sterke alcoholgeur in haar adem, de andere onderhoudt mij uren over de gezondheidstoestand van haar schoothond (steevast gevolgd door “maar tis nen braaaaaave zenne, ge moogt em aaien, jaaaaa tis nen braaaaaaave”).

de buurvrouw die ik tegenkwam in het wassalon betrof oud vrouwtje nummer twee, de vriendelijke hondenliefhebster. zij wist mij toen te vertellen dat zij eigenlijk thuis een wasmachine had, “een veel beter zelfs als dat in de wasserette”; ze kwam naar het wassalon puur voor het gezelshap, “om nog eens onder de mensen te zijn” zei ze. ik had moeite om geen traantje weg te pinken, want rondkijkend in het lege wassalon waar voornamelijk drugsverslaafden rondhangen, wist ik dat haar eenzaamheid schrijnend moest zijn om hier te komen zoeken naar een gezellige babbel.

aldus daar op mijn fiets – met het wassalon in mijn ooghoek – werd het idee geboren om mijn buurvrouw te verblijden met de gratis zak hondeneten: op die manier ziet ze nog eens iemand en krijgt ook haar hartedief wat aandacht. bij het aanbellen hoorde ik dat hartediefje al luidkeels blaffen en wanneer het vrouwtje de deur opende, besprong het shoothondje enthousiast mijn been (gevolgd door “tis nen braaaaave zenne, ge moet gene schrik hebben, tis nen braaaave”).

tevreden met mijzelf als ik was voor het bedenken van zo’n altruïstisch plan, legde ik het vrouwtje uit dat ik deze zak gratis had gekregen bij de dierenwinkel, maar dat ik geen hond had; “daarom dacht ik dat u die misschien kon gebruiken?” vroeg ik. het oude vrouwtje reageerde echter allerminst verblijd en antwoordde: “maar ik weet niet wat daar in zit he, ik ken dat merk niet”. geschrokken door deze koele reactie stelde ik voor dat ze het gewoon eens kon proberen, want ik kan er toch niks mee doen. zuchtend zei het vrouwtje “ale dan”, waarna de aap uit de mouw kwam: ze vroeg op licht geïrriteerde toon “hoeveel vraagt ge ervoor?”.

helemaal van streek door deze gratuite blijk van wantrouwen jegens mijzelf, probeerde ik te verduidelijken dat ik er helemaal geen geld voor wou, want ik had de zak zelf gratis gekregen en anders zou ik hem gewoon moeten weggooien. het vrouwtje besefte plots dat ze onterecht aan mijn goede bedoelingen had getwijfeld en nam de zak hondeneten alsnog in ontvangst. teleurgesteld in de maatschappij die ervoor heeft gezorgd dat zelfs altruïstische daden van empathie op wantrouwen stoten, stapte ik de lift terug in op weg naar mijn appartement. ik kon alleen maar besluiten dat oud vrouwtje nummer twee duidelijk teveel heeft opgetrokken met die norse trut van de derde verdieping.

* foto’s zijn van google (via de zoektermen “grumpy old lady”, “old lady with dog” en “chichi hond”) en zijn aldus géén foto’s van de mensen en honden waarvan sprake in deze post, maar hebben wel een treffende gelijkenis.

liefdadigheid (deel 2): charity fail

ONLANGS OP DEZE BLOG: liefdadigheid (deel 1). over hoe sanne het slachtoffer werd van liefdadigheid, en haar smoske kaas hierdoor vergezeld werd van een sausje schuldgevoel.

NU OP DEZE BLOG: liefdadigheid (deel 2). over hoe sanne ook eens een poging deed tot liefdadigheid in brussel, maar dit eindigde in een pijnlijke afgang.

geïnspireerd door mijn “liefdadigheidssmoske”-belevenis, begon ik na te denken over de laatste keer dat ik nog eens iets uit pure barmhartigheid gedaan had. nu niet om mijzelf te bestoefen, maar ik moest niet eens zo lang terugdenken: niet lang voor de gulle gever mijn pad kruiste, had ook ik gepoogd mijn hand uit te steken naar de minderbedeelden onder ons.

reeds enkele weken werd ik dagelijks geconfronteerd met de dakloze asielzoekers en illegalen aan het brusselse noordstation. mijn dagelijks job bestaat uit het juridisch beoordelen van asielaanvragen, dus deze mensen in zulke slechte omstandigheden zien leven liet mij niet ongedeerd. bovendien was het moeilijk om de schrijnende situatie te negeren aangezien de asielzoekers en illegalen er dagelijks hun kleine kinderen op uit stuurden om te bedelen bij de pendelaars. mijn hart brak dan ook elke keer ik deze kinderen passeerde zonder hen iets te geven. de grootste honger die ik al heb gehad was die tussen het middageten om 12u en mijn eerste princekoek om 15u, dus ik kon mij alleen maar inbeelden hoeveel honger zij wel niet moesten hebben.

op een middag, toen ik terugkeerde van mijn werk en wandelde naar het station, kwamen er weer dezelfde drie jongetjes met open handen en verdrietig gezichtje op mij af. het toeval wou nu net dat ik die namiddag recup had genomen en mijn sandwiches voor die middag niet had opgegeten.

enthousiast als ik was dat ik deze kinderen kon helpen, bood ik de eerste jongen een sandwich aan. het kereltje (ongeveer 8 jaar oud) keek mij verbaasd aan; “hij zal niet gedacht hebben dat ik hem iets zou geven of hij heeft misschien nog nooit een sandwich gezien”, dacht ik bij mezelf. ik vond het al een beetje vreemd dat de andere kinderen niet op mij afspurtten als hongerige wolven; “ze zullen mij niet gezien hebben of ze zijn verlegen”, dacht ik bij mezelf. ik ging dan maar naar het tweede kindje en gaf hem ook een sandwich. ook zijn reactie was niet wat ik verwacht had: een glimlach of danku kon er niet van af; “hij zal zodanig uitgehongerd zijn”, dacht ik bij mezelf. het derde kindje, amper 5 jaar ofzo, stond mij verdwaasd aan te kijken. ik nam nog een sandwich uit mijn handtas en bood hem deze aan. het jongetje schudde met zijn hoofd en trok een gezicht alsof ik net een rotte vis had bovengehaald.

danig geshockeerd door deze uiterst eigenaardige reactie, wandelde ik verder. 2 meter later had ik echter weer vanalles gedacht bij mezelf (lees: gefantaseerd) en keerde ik terug om het laatste kindje alsnog een sandwich aan te bieden. opnieuw dacht ik – naieverwijze –  dat hij tot zijn zinnen zou komen en met tranen in zijn ogen de sandwich zou aanpakken. in plaats daarvan nam het kind in kwestie een houding aan die ik niet beter kan beschrijven dan met de woorden “bitch, please” (zoals hier of hier of hier of hier).

gedesillusioneerd droop ik af, schuddend met mijn hoofd en denkend bij mezelf “major charity fail!”.

(BINNENKORT OP DEZE BLOG: liefdadigheid (deel 3). over hoe sanne nog eens een poging deed tot liefdadigheid, maar er in casu getwijfeld werd aan haar goede bedoelingen.)